Programmatoelichting  Concert  november 2021  

In de afgelopen maanden heeft NOVA deels gerepeteerd met de strijkers en blazers apart vanwege Covid maatregelen. Vandaar een gevarieerd concert, blazers,  strijkers en tutti, met muziek uit de 19e, 20e en 21e eeuw, welke deels ook teruggrijpt uit muziek uit vroegere tijden.

  • Old Wine in new bottles van Gordon Jacob

Jacob: een Brits componist, dirigent en muziekpedagoog. Hij was bekend als musicus voor musici en meester van de instrumentatie. Hij doceerde 40 jaar als hoogleraar compositie, instrumentatie, orkestratie en muziektheorie aan het Royal College of Music in Londen. Hij componeerde vele werken, zowel serieuze als lichte muziek, schreef diverse handboeken voor componisten, welke nog steeds gebruikt worden. Hij was bevriend met R. Vaughan Williams. Hij orchestreerde ook muziek van andere componisten die oorspronkelijk geschreven waren voor blaasensembles. Hij was o.a. dirigent van de Royal Amateur orchestra Society. Hij kreeg in 1952 de opdracht het Engelse volkslied te orchestreren voor orkest ter gelegenheid van de kroning van koningin Elisabeth II. Na 1960 raakte zijn muziek op de achtergrond, omdat deze te weinig vernieuwend werd gevonden. In Old Wine in new bottles (uit 1958) verwerkte hij diverse Engelse volks- en kinderliedjes. Het werk bestaan 4 delen:  The Wraggle Taggle Gipsies, The 3 Ravens, Begone Dull Care, Early in the Morning. (Bron Wikipedia)

  • Strijkerssymfonie VI van Felix Mendelssohn-Bartholdy

Deze Duitse componist trad als jong kind al op (pianist) en componeerde ook al vroeg in zijn leven. Hij werd dirigent van de Gewandhaus-concerten (Leipzig), richtte er een conservatorium op en bracht er het muziekleven tot grote bloei. Mendelssohn trachtte het romantisch ideaal van zijn tijd met traditionele middelen te verwezenlijken. M.n. in zijn harmonieën was hij niet revolutionair maar traditioneel. Hij had grote bewondering voor voorgangers (o.a. Palestrina, Bach, Händel, Mozart en Beethoven) Hij droeg bij o.a. door de Matheuspassion uit te voeren (voor het eerst na Bach’s dood) aan de Bachrenaissance. De vandaag uitgevoerde Strijkerssymfonie VI was een van de tien korte symfonietjes voor strijkinstrumenten, die Mendelssohn op 13 jarige leeftijd (!) componeerde als huiswerk voor zijn leraar CF. Zelter. Het  stuk heeft 3 delen 1)Allegro, 2) Menuetto + Trio I en II. 3) Prestissimo. (Bron Wikipedia)

  • Masques et Bergamasques  van Gabriel Fauré

Fauré was een van de belangrijkste Franse componisten van zijn generatie, samen met  zijn jongere  tijdgenoten Cl Debussy en  M Ravel. Hij is bekend om zijn piano- en kamermuziek en liederen en was naast componist ook organist, pianist en leraar. Zijn muziek heeft een verfijnde stijl en was vooruitstrevend voor zijn tijd.

Fauré schreef Masques  et  Bergamasques  op verzoek van Albert I van Monaco voor een theaterstuk dat teruggrijpt op de “fêtes galantes”, hoffeesten uit de achttiende eeuw, door Watteau vaak afgebeeld. Fauré noemt Watteau dan ook als inspiratiebron.

De tekst van  dit theaterstuk was geïnspireerd door een gedicht van Paul Verlaine,  “Clair de Lune”, een poëtisch beschrijving van de ziel als een maanbeschenen landschap waarin gemaskerde figuren en “bergamasques” al dansend en luit spelend figureren.** De bergamasque is een boerendans uit Bergamo, maar Verlaine lijkt dat niet letterlijk te nemen, maar meer als binnenrijm na Masques. Het theaterstuk is een mengsel van zang, dans, pantomime en gesproken woord en wordt ook tegenwoordig nog wel uitgevoerd. Op een imaginair eiland is een Commedia dell’arte troupe aanwezig; zij zien een aantal adellijke lieden, eigenlijk hun publiek, arriveren op het eiland. Verstopt zien zij geamuseerd, op hun beurt publiek, hoe vier paren zich aan minnespel overgeven. De suite is door Fauré al direct bedacht als een zelfstandig muziekstuk naast de theatermuziek, en is in archaïserende stijlen geschreven. Na een ouverture volgen drie dansen.

**Uit Fêtes Galantes I,  Clair de lune, van Paul Verlaine,  het eerste couplet:

Votre âme est un paysage choisi
Que vont charmant masques et bergamasques,
Jouant du luth et dansant, et quasi
Tristes sous leurs déguisements fantasques!

*Ouverture. In klassieke sonatevorm. Een vrolijk dansje, eerst in de strijkers, daarna door de blazers herhaald. Nu eens apart, dan tezamen springen we in het rond. Een wat langzamer, zwierig tweede thema geeft de dansers wat adempauze, maar 22 maten later barst de energie weer los. Een intermezzo met een stijgende melodie, verdeeld over de blazers, wordt beantwoord door de strijkers met een dalende lijn. Fauré speelt wat met fragmenten van het eerste thema, waarna de reprise volgt. In een coda mengt hij alle elementen nog eens goed dooreen, om af te sluiten met een akkoord dat “niet af” lijkt (het akkoord blijft op een a hangen, terwijl de triomfantelijke hoge f ontbreekt).

* Menuet. Een langzame dans in ¾ maat, waarin de dansers op de tweede tel even op hun tenen staan, waardoor de derde tel telkens net even te laat lijkt. Voorloper van de wals, waarin de Wiener Philharmoniker ons ieder jaar op 1 januari datzelfde hikje laten horen: di-daa-de di-daa-de. De blazers spelen een langzame dans, begeleid door pizzicato strijkers. Het laatste deel van het thema wordt luid tutti herhaald. Zacht komt de melodie terug, waarna opnieuw blazers – pizzicati – tutti volgt. Het trio lijkt moeilijker te dansen: wel di-daa (of eigenlijk di-DAA),maar de derde tel ontbreekt, dus de dansers blijven op hun tenen staan en kunnen niet verder. Tussen die maten, afwisselend in strijkers en blazers telkens twee maten waarin het menuet even afwezig lijkt, alsof de dansers hun evenwicht moeten hervinden. Het trio sluit af met een soort fanfare, waarna het menuet terugkeert, nu in de strijkers met korte nootjes in de fagot. De forte afsluiting is voor allen, waarna een kort coda volgt.

* Gavotte. Een gavotte was een Franse dans uit het alpengebied, die de hoven in de achttiende eeuw veroverde als opvolger van de bourrée. Een vrij snelle dans in tweedelige maatsoort. Het thema bestaat uit twee delen: een staccato en een wat zangeriger deel. Fauré vlecht blazers en strijkers ingenieus dooreen en wisselt staccato af met wat meer lyriek. Voor het eerst gebruikt hij hier ook pauken ter ondersteuning van de drie akkoorden waarmee het deel aanvangt, en die iedere terugkeer van het thema verwelkomen. Drie snellere luide akkoorden (merkwaardig genoeg zonder pauken) sluiten af (dat-was-dat), waarna het geheel herhaald wordt. De toonsoort d klein wordt ingewisseld voor D groot, en een wiegende melodie klinkt. Maar opgepast: Fauré strooit telkens als contrast de eerste twee maten van de gavotte erdoor in de blazers. De eerste violen gaan onverstoorbaar door, terwijl de andere strijkers even meegaan met de blazers. Dan keren we terug naar het begin van de gavotte, dat tamelijk abrupt weer afsluit met die drie snelle akkoorden.

* Pastorale. Moet de sfeer oproepen van een rustig leven op het platteland, met herders die de hele dag naast een kabbelend beekje op zelf van boomtakken gesneden fluiten spelen met harpbegeleiding. De werkelijkheid was wel anders, maar we zijn in de romantiek tenslotte. Zowel ritmisch als qua harmonie klinkt dit deel veel “moderner” dan de voorgaande delen, die teruggrepen op oudere compositietechnieken. Fauré laat even horen dat we toch echt in de twintigste eeuw zijn, maar weet de gewenste dromerige sfeer feilloos op te roepen.   ( Bron: Programmatoelichting 2018 Tollens Ensemble Rijswijk)

4)     Variaties en Fuga op een thema van Johann  Kuhnau  van Hendrik Andriessen

Hendrik Andriessen was een Nederlandse organist en componist. Op 21 jarige leeftijd werd hij organist en bekwaamde zich in improvisatie. Daarna werd hij docent muziektheorie en compositie aan het Amsterdams conservatorium. Daarnaast doceerde hij orgel, improvisatie en gregoriaans aan de RK kerkmuziekschool te Utrecht. Na WOII werd hij directeur van het Kon. Conservatorium in Den Haag en was buitengewoon hoogleraar aan de kath. Universiteit Nijmegen. In die tijd was hij ook als componist zeer productief. Hij  bewonderde Fauré,  beiden  waren  neo-classicisten:  moderne muziek maken op  basis van oude vormen.  Een van zijn bekendste orkestwerken zijn de Variaties en fuga op een thema van Johann Kuhnau, componist, organist en klavecinist (1660-1722), voorganger van Bach als Thomascantor. Het stuk heeft de volgende delen I. Thema-Moderato. II. (variatie) Grazioso ma tranquillo. III. (variatie) Allegro con spirito. IV (Thema, omgekeerd) Molto moderato e espressivo. V. (variatie) Sostenuto e espressivo. VI. (Thema, gemoduleerd ) Grave e espressivo. VII. Allegretto con eleganza. Dit deel sluit af met de in de titel beloofde fuga weer gevolgd  door de laatste keer: het oorspronkelijke thema. (Bron: Wikipedia)

  •  Cinq Pièces  van Vincent Martig

Martig is al vanaf jonge leeftijd bekend met NOVA, omdat zijn moeder al decennia speelt bij NOVA en haar kinderen tijdens de repetities in een belendende ruimte speelden. Vincent begon op zijn 8e klarinet te spelen; tijdens zijn middelbare schooltijd speelde hij klarinet bij NOVA. Naast een studie Vergelijkende Indo-Europese Taalwetenschap (Universiteit Leiden) deed hij een minor klarinet aan het Haagse Conservatorium. Hij haalde vervolgens de master Hoofdvak Klarinet in 2016. Vincent volgende compositie- en arrangeerlessen en vindt het erg leuk om van allerlei instrumenten wat te weten. Hij was en is actief in meerdere ensembles, als klassiek muzikant, maar speelt ook in jazz- en klezmergroepen. Momenteel werkt hij o.a. bij Wonderfeel en als producer van het Jazz orchestra van het Concertgebouw in Amsterdam.

Cinq Pièces is voor NOVA gecomponeerd! De vijf deeltjes zijn korte schetsen, van elk enkele dergelijk drie minuten. Bij het schrijven had Vincent geen specifiek uitbeeldingstoel, de beelden bij het stuk ontstonden, toen het af was en werd teruggeluisterd. Het eerste deeltje doet denken aan een langzame processie, met lyrische melodieën in de hoge blazers. Het tweede deel is springerig, vrolijk, en lijkt op de fratsen die jongleurs en straatartiesten uithalen. Deel drie is meer diverterend: er is geen duidelijke melodie, maar meer een “ambiance”, een sfeer die wordt neergezet op lopende achtsten. Het vierde deeltje is langzaam, als een tuin in de volle zon, met schaduwrijke plekken, zachte tinten, maar ook de felle zonnestralen en agressieve kleuren. Het stuk eindigt met een samenvatting van deze vier scènes in een afscheidnemende marsachtige sfeer. (Bron: Vincent Martig)

6)  Scandinavische  Suite  van Emil Juel-Frederiksen                                                         Orch.  A  Hohenstein

Emil Juel-Frederiksen was een Deense componistzanger en organist. Hij studeerde hij zang en klarinet aan het  Koninklijke Deense Conservatorium en kreeg hij privélessen op het kerkorgel. In 1893 ging hij naar Berlijn om zich er verder te bekwamen in de zangkunst. Bij zijn terugkeer in Denemarken werd hij zanger bij het koor van de Garnisons Kirke en maakte hij als concertzanger reizen door Denemarken en Noorwegen. Hij was organist in Kopenhagen. Bovendien werkte hij enige tijd als criticus voor het Kopenhaagse Avondblad en had hij verschillende aanstellingen als muziekleraar. Juel-Frederiksen was een begenadigd componist van kleine en lichtsentimentele pianowerken, zoals die in zijn tijd populair waren. Veel van zijn werken waren fantasieën over bekende werken, kerstmelodieën en geestelijke gezangen. Maar hij componeerde ook een aantal grotere werken waaronder cantates, een ballet en suites voor orkest. Nova speelt een van de suites, opus 77, een verzameling Scandinavische volkswijzen en dansen. Het werk bestaat uit 4 delen ( Dee1 1: titel  Hoch auf dem Berge: een idyllische  melodie, gevolgd door een  vrolijke  boerendans, met als slot een bewerking van een lied)  Deel  2 Auf dem Lande: een Scandinavische  boerendans)  Deel 3  Intocht van de  Vikingen, een mars, een  wat plechtiger passage en dan weer de mars.  Deel 4 Troll  Tanz, die wordt  onderbroken door  een toespraak van de trollenkoning, waarna de dans weer wordt  hervat. (Bron: Wikipedia)